Rachel is 11 jaar oud als ze met haar ouders en haar zusje op de zolder van deze pastorie terechtkomt. Het gezin is na het bombardement op Rotterdam naar Rijswijk verhuisd. Nu, in de lente van 1943, verhuizen ze weer: naar Hodenpijl tussen Schipluiden en Den Hoorn. Dit keer mag alleen niemand het weten. De familie is Joods en duikt onder.
Maandenlang zit het Joodse gezin op zolder bij pastoor Hendrik Theissen. Ze oefenen vaak wat te doen als er een huiszoeking komt. Om de beurt staan ze op wacht bij het raam. Als er onraad is, moeten ze fluiten. Via het dakraam klimmen ze dan op het dak. Er staat een ladder klaar om verder te vluchten. Wanneer Rachel een keer op wacht staat, komen er Duitse militairen langs. Rachel fluit en iedereen snelt naar het dak. Het is vals alarm. De militairen klagen over de oranje bloemen die de pastoor in zijn tuin heeft.
Na zeven maanden gaat het gezin naar een ander adres, in Hoorn. Tijdens de oorlog moeten ze zich nog vaak opnieuw verschuilen. Het gezin van Rachel overleeft de oorlog. Heel veel vrienden en familieleden niet. Zij worden vermoord in een van de concentratiekampen.
Meer lezen over dit onderduikgezin? Ida Vos (Rachel) schreef in 1981 een boek over haar ervaringen: Wie niet weg is wordt gezien (uitgeverij Leopold).